|
|
|
LAATSTE UPDATE: 03-01-2005
Blauwkop blauwfazantjes
Latijnse benaming: Uraeginthus c. cyanocephalus
Het blauwkopblauwfazantje maakt samen met gewone blauwfazantje, het
Angola blauwfazantje, de granaatastrilde en de purpergranaatastrilde deel uit van het
geslacht uraeginthus.
Dit geslacht staat bij de astrildenliefhebbers bijzonder goed aangeschreven; niet in het
minst omdat het kleurrijke, gezellige en broedgrage vogeltjes zijn. Daar komt nog bij dat
de kleurschakeringen van de genoemde vogels gewoon subliem zijn.
Kleurbeschrijving:
Kop, keel, kropstreek en zijkanten van het lichaam hemelsblauw.
De bovendelen zijn geelachtig bruin, de staart is donkerblauw. De onderdelen zijn
lichtbruin, de onderstaartdekveren geelachtig-bruin. Het oog is rood, evenals de
snavel en de poten zijn bruin. De lengte bedraagt circa 13 cm.
Het popje heeft minder blauw aan de kop en is matter van kleur.
Blauwkopblauwfazantje (links: man, rechts: pop)
Een liefhebber aan het woord:
De vogels werden begin maart ondergebracht in een kweekkooi van 60 cm lang, 50 cm hoog
en 40 cm diep. Een nestkastje werd aan de buitenkant aangebracht. Op dat ogenblik hadden de
vogels in de kweekkamer verlichting van 6.30 tot 20.30 uur. De vogels waren duidelijk in
broedstemming want de man zong dat het een lieve lust was. In een minimum van tijd
bouwden de vogels een mooi bolvormig nestje van cocosvezels. De binnenkant werd
afgewerkt met vooral veertjes.
Daar ik de vogels zo min mogelijk wilde storen nam ik aan dat ze eieren hadden toen de pop
steeds op het nest bleef. Intussen gaf ik de vogels naast de klassieke exotenmengeling en
trosgierst dagelijks een beetje eivoer, waar ik een paar buffalo- en meelwormen aan had
toegevoegd. Dit voer werd goed opgenomen. Ik had dan ook goede moed dat de kweek van de
blauwkopblauwfazantjes zonder meer tot een goed einde zou worden gebracht. Maar…!
Op een morgen vond ik drie kleine jongen op de bodem van de kooi. De nog levende
vogeltjes werden onmiddellijk terug in het nest gelegd waar ik toen voor het eerst zag dat het
legsel uit vijf eieren bestond (de twee andere bleken onbevrucht). Geen vijf minuten later
lagen de jongen weer op de bodem. Kortom, dit eerste nest kon ik wel vergeten.
In een artikel in een vogelblad las ik identieke problemen bij diverse astrilden, waarin de
schrijver het probleem had 'opgelost' door de eieren onder Japanse meeuwtjes te leggen.
Een tweede ronde leverde opnieuw vijf eieren op. Ook nu broedden de vogels uitstekend.
Tussen hoop en vrees de jongen weer te verliezen werd een paartje meeuwen - ik zette ze op
onbevruchte eieren - klaargehouden om eventueel als pleegouders te dienen. En ook nu weer
vond ik na een tijdje twee jongen op de grond. Er werd vlug gehandeld en de jongen en de
drie resterende, bevruchte eieren werden bij de meeuwen ondergelegd. Eén van de twee
jongen lag 's avonds dood in het nest. Het andere leefde nog maar was duidelijk door de
meeuwtjes niet gevoed.
Ik was van oordeel dat ook deze ronde niets zou worden. De andere dag stelde ik echter vast
dat nog een ei uitgekomen was en dat het eerste jong een weinig voedsel in de krop had. Door
het eivoer, waar de meeuwen dol op waren, mengde ik een paar meelwormen en
miereneieren. De vogels aten alles, ook de apart toegediende pinkies en buffalowormen.
Van dit nest vlogen er tenslotte drie jonge blauwkopblauwfazantjes uit die uitstekend door
hun pleegouders werden grootgebracht.
De oudervogels hadden intussen een derde nestje klaar. Opnieuw waren er vijf eieren en
hoewel ik aan de voeding of verzorging niets had gewijzigd promoveerden de
blauwkopblauwfazantjes zich nu tot uitstekende ouders. Geen jongen meer op de grond, maar
in tegendeel vier flink doorvoedde jongen in het nest. Al met al kwamen er zeven jongen van
deze afrikaantjes en is gebleken dat het ook zonder inschakeling van pleegouders kan.
|
|