In ons land beginnen de meeste soorten vogels al eind maart of begin april met het leggen van eieren.
De kleine zangvogels leggen hun eieren met een tussentijd van slechts één dag en meestal in de morgen uren.
Bij de grotere vogels is de tussenruimte vaak langer, meestal 2 dagen. Verschillende soorten zoals
zwaluwen, merels, mussen of mezen broeden meer dan eens per jaar. Maar hun broedsel is meestal het
grootste.
De ligging van de eieren is meestal zo, dat ze met de punt naar elkaar toe liggen. Bij grotere legsels
dan van fazanten, patrijzen of mezen kan dit uiteraard niet. De eieren zijn bij deze soorten dan ook
tamelijk rond.
Ook leggen de vogels meestal niet meer eieren dan zij met hun veren kunnen bedekken, hoewel men wel
eens een uitzondering op deze regel tegenkomt. Hoewel er ook van deze regel wel eens wordt afgeweken
beginnen de meeste vogels te broeden na het leggen van het laatste ei en zoals ik al zei, zijn er
vogels die dit niet doen, zoals de uilen en kiekendieven die reeds op hun eerste ei beginnen te broeden
en er met tussenpozen van een of twee dagen een ei bijleggen.
Doorgaans beginnen de kleinere parkieten in onze volière na het leggen van het tweede ei te broeden,
de grote parkieten meestal na het derde. Wanneer er dan een zestal eieren om de 48 uur gelegd zijn
komen ze ook nooit tegelijk uit.
Kanaries beginnen doorgaans reeds op het eerste ei te broeden. Om de jongen toch ongeveer tegelijk
uit te laten komen wordt het gelegde ei vervangen door een kunsteitje. Wanneer het vierde ei gelegd
is worden de eerste drie weer in het nest gelegd waardoor ze gelijktijdig bebroed worden en dus gelijk zullen uitkomen.
Bij de meeste nestvlieders komen de eieren nagenoeg tegelijk uit. Dit is ook wel noodzakelijk daar
zij enkele uren nadat ze uitgekomen zijn het nest verlaten en de moeder niet tegelijkertijd eieren
kan bebroeden en voor de reeds uitgekomen jongen zorgen kan.
Meestal broedt alleen het vrouwtje, maar bij sommige soorten zoals blauwe reigers, meeuwen of duiven
wisselen pop en man elkaar af.
Bij enkele vogels broedt alleen het mannetje, zoals bij de grauwe franjepoot of bij de nandoe.
Ook als het vrouwtje dood gaat neemt het mannetje soms het broeden over, ook al broedt hij anders nooit.
Door de warmteontwikkeling bij het broeden komt het embryo in het ei tot ontwikkeling. De broedende
vogel zet de borst- en buikveren op, zodat de eieren zo nauw mogelijk met de warme huid in aanraking
komen. Soms ook vallen deze veren uit of worden door de vogel zelf uitgeplukt, zodat er een zogenaamde
broedplek ontstaat, waarna een sterke bloedtoevoer plaatsvindt. Door het grote warmteverlies vermagert
een broedende vogel vaak sterk, maar over het algemeen blijft de broedende vogel zijn nest trouw,
vooral als er jongen zijn.
Wanneer dit bij ons in de volière eens niet het geval is dan moeten wij dit over het algemeen bij
een fout in de huisvesting, de voeding of onszelf zoeken, daar de vogel onder normale omstandigheden
zijn nest jongen niet zal verlaten. Erg moeilijk is het om, wanneer een stoornis wordt geconstateerd,
een vogel die het nest al verlaten heeft weer aan het broeden te krijgen. Een grote vogel broedt
gewoonlijk langer dan een kleine uit dezelfde familie en bij de nestblijvers is de broedduur
gemiddeld korter dan bij nestvlieders.
De lengte van de broedperiode is elke soort aangeboren. Tegen het einde van de broedtijd zien we
de vogels dan ook onrustig worden en soms verlaten zij dan ook het nest als de broedtijd om is
voordat de eieren zijn uitgekomen, als wij deze bijvoorbeeld verruild hebben zodat ze enkele dagen
langer moeten zitten. Haal het trucje, zoals bij de kanaries wordt toegepast niet uit bij
grasparkieten, want in negen van de tien gevallen zult u verstoken blijven van jongen en de
eieren buiten het nestblok vinden.
Dat de broedtijd voor de verschillende soorten sterk uiteen lopen blijkt uit de tijden die ik
u hier laat zien.
Een kolibrie broedt meestal niet langer dan ongeveer 8 à 9 dagen, kleine zangvogels 10 dagen,
een bosduif 16 dagen, een kip ca. 21 dagen, eenden en valken 28 dagen, ganzen 4 tot 5 weken,
een gier 7 à 8 weken en een struisvogel maar liefst 17 weken!
Hoewel we bij onze volièrevogels vaak eigenaardige broedgewoonten kunnen waarnemen zijn er toch
een aantal vreemde broedgewoonten die we niet altijd zien maar die zeker het vermelden waard zijn.
Wanneer we bijvoorbeeld de grootpoothoenders van Australië en de Indische Archipel bekijken
dan zien we dat deze vogels op een zonnige plaats van minstens 36 à 37º C. een broedheuvel
bouwen, voornamelijk uit aarde en plantaardige materialen. In deze vaak enige meters brede
heuvels worden de eieren uitgebroed. Tijdens de broedduur regelt het mannetje de temperatuur
en de luchttoevoer en het hamerhoen (Maleo) laat zijn eieren uitbroeden door zonnewarmte op
het strand of bij warme waterbronnen in het binnenland.
Dit kan gemakkelijk, want deze eieren ontwikkelen zelfs al bij kamertemperatuur. Ook sommige
struisvogeleieren doen dit. De konings- en keizerpinguïn, die op het eeuwige zuidpoolijs leven,
maken zelfs geen nest maar zij broeden hun ei uit in een huidplooi van de buikwand.
Afwisselend gaat een der ouders voedsel zoeken terwijl de ander op het ijs staand het ei
bebroed. Met de snavel wordt het uit de ene in de andere 'broekzak' gebracht en ook het
jong blijft aanvankelijk nog enige tijd in deze buidel vertoeven.
We verdelen de uitgekomen jongen in twee groepen, namelijk in nestvlieders en nestblijvers.
Bij de nestvlieders zoals hoenders, meeuwen, sterns en steltlopers zijn de jongen bij de
geboorte reeds met dons bedekt en na enige uren in staat zich voort te bewegen en zelfstandig
voedsel te zoeken, soms begeleidt door de moeder, bijv. de kip of eend. Zij behoeven dit
echter niet te leren.
Bij de nestblijvers zoals zangvogels, roofvogels, uilen, spechten enz. komen de jongen
nagenoeg naakt ter wereld en voor hun verdere ontwikkeling zijn zij gedurende kortere of
langere tijd geheel afhankelijk van de ouders. Enkele soorten vogels vertonen, in de tijd
dat zij eieren of jongen hebben, bijzondere gewoonten.
Bekend zijn vooral de zogenaamde verlammingsverschijnselen van de rietgors en de kemphaan,
als men te dicht bij het nest komt. Deze handelingen nu berusten allerminst op een
verstandige opzettelijke handeling maar zij is aangeboren en zij wordt als instinctieve
drifthandeling gezien. Waarschijnlijk is de angst de drijfveer.
Daar de meeste vogels op de rug grauw zijn gekleurd valt de op het nest zittende vogel
niet gemakkelijk op. Bij sommige holenbroeders treffen wij deze beschermende kleuren niet
aan, bijvoorbeeld spechten, parkieten of lories, maar bij meeuwen, scholeksters,
lepelaars, sterns, kluten en enkele soorten meer dan zult u zeggen, welnu, we zien
inderdaad niets van deze beschermende kleuren. Maar dit zijn meestal de soorten die
in grote kolonies broeden, dus door de grote groep beschermd worden en gewoonlijk
grotere waakzaamheid tentoonspreiden en vaak felle aanvallen doen op alles wat hun
broedsel zou kunnen belagen.
Bij vogels die op de grond of in open nesten broeden, is er meestal een grote
overeenkomst tussen de kleur van de eieren en die van de omgeving. Daarbij zijn
er vogels die hun nest bedekken zodra ze dit verlaten.
Futen bijvoorbeeld bedekken de eieren bij het verlaten van het nest vaak met modder
en eenden met dons. Bij in open nesten broedende eenden is dit dons grauw en bij
holenbroeders wit.
Dan nog iets over het broedparasitisme:
Er zijn ook enkele soorten die het uitbroeden van de eieren en het verzorgen van
de jongen maar liever overlaten aan andere vogels.
Bij ons doet dit alleen de koekoek. In Amerika doen dit de koevogels, een
spreeuwensoort die echter zelf ook wel kunnen nestelen en broeden in tegenstelling
tot onze koekoek.
Een bevredigende verklaring is er voor zover mij bekend nog niet gevonden voor
deze merkwaardige handelwijze. De koekoek legt zijn eieren in nesten van een groot
aantal kleine zangvogels zoals de leeuwerik, roodstaartjes, rietzangers, heggenmussen,
piepers enz. welke alle nestblijvers zijn.
Alleen uit ons land zijn ongeveer 35 soorten pleegouders bekend, zodat u ziet dat niet
alleen de Japanse meeuwtjes, roodruggen of kakariki's deze goede eigenschappen hebben.
Naar het schijnt legt iedere koekoekspop eieren van bepaalde kleur en schijnt ze ook
aan bepaalde pleegouders de voorkeur te geven. Waarschijnlijk is dat de koekoekspop
dezelfde soort uitkiest waarbij ze zelf is opgevoed.
Dit is natuurlijk op zichzelf al een merkwaardig verschijnsel. Gewoonlijk stemmen de
kleuren van de eieren van de pleegouders met die van het koekoeksei overeen. De
gekraagde roodstaart bijvoorbeeld heeft blauwe eieren. De koekoekseieren die daarbij
gelegd worden zijn ongeveer even blauw.
De koekoek legt om de twee dagen, meestal 11 of 12 eieren per broedseizoen. Ze hebben
ongeveer de grootte van een mussenei en alleen insectenetende vogels als pleegouders
komen in aanmerking en het ei wordt dan meestal gelegd bij een vers broedsel. Dat is
erg belangrijk, want eieren die niet gelijk met andere uitkomen worden vrij spoedig
door de vogel uit het nest verwijderd.
De broedduur van het koekoeksei is ongeveer 12 dagen dat wil zeggen, ongeveer even
lang of iets korter dan de eieren van de pleegouders.
Het ei wordt door de koekoek direct in het nest gebracht, ook al moet de vogel
daarbij een enigszins abnormale houding aannemen. De koekoek neemt daarna vaak een
ei uit het nest weg.
Kort na het uitkomen ontstaat in de jonge koekoek de drang om alles wat zich in het
nest bevindt overboord te werken, zelfs als de nog broedende oudervogel nog op het
nest zit weet hij alles weg te werken.
Merkwaardig is dat de oudervogel naar die uitgeworpen jongen niet meer omkijkt. Na
ongeveer 4 à 5 dagen verdwijnt die aandrift en wat zich dan nog in het nest bevindt
wordt ongemoeid gelaten. Veel vogelliefhebbers zullen door dit gedrag een hekel
overhouden aan de koekoek over het algemeen, maar voor deze liefhebbers heb ik
ook een schrale troost. Het koekoeksei wordt niet altijd door de pleegouders aanvaard.