|
|
|
LAATSTE UPDATE: 03-01-2005
Kapoetsensijs
Een typisch sijsachtig vogeltje; snel, kwiek, levendig,
Mooi van kleur en tekening, maar.... ook gevoelig.
Populair vanwege de rode invloed op de kleurkanarie.
Een Zuid-Amerikaans familielid van de Europese sijs.
Goed, maar niet gemakkelijk te kweken. Een vogeltje
Wat voor de vogelkwekers nog heel wat in petto heeft!
De kapoetsensijs bewoont de open savanneachtige gebieden van Venezuela en Colombia op
een hoogte van 200-400 meter. Op het eiland Trinidad komt hij ook voor, maar daar werd
hij waarschijnlijk uitgezet nadat hij was ingevoerd. Het zijn bewoners van dicht bebost
gebied waarbij ze soms ook aan de rand ervan voorkomen. Bij hoge temperaturen
(22º-25ºC.) voelt deze vogel zich het prettigst. Ze zijn zeer gevoelig voor vocht
en kou.
Er komen geen importen meer van deze vogels, zodat we aangewezen zijn op zelf
gekweekte exemplaren, die ongetwijfeld aan te bevelen zijn boven de geimporteerde
de man van de kapoetsensijs heeft een zwarte kop en keel. Het onderlichaam is
scharlaken rood. Rug en schouders zijn glanzend rood. Lengte 10 à 11 cm.
De pop: onderrug rood, overige veervelden grijs/zwart, op de rug rood doorlopen.
Kop en keel grijs.
Bij een goede en veelzijdige voeding blijft de rode kleur gehandhaafd. Het is
zaak dat het formaat goed in de gaten gehouden wordt. Veelvuldige kweek en ver
doorgevoerde nakweek kunnen leiden tot degeneratieverschijnselen, vooral tot
formaatverkleining!

Kapoetsensijs man

Kapoetsensijs pop
Ik heb getracht zoveel mogelijk over deze sijsjes te weten te komen, door te
lezen in boeken en vogeltijdschriften en door contacten met kwekers van deze
sijs.
In de navolgende beschrijving heb ik getracht u zoveel mogelijk te informeren.
Ik ben mij er van bewust dat er toch nog wel het een en ander aan zal ontbreken
of dat een kweker, ten aanzien van bepaalde onderwerpen, een andere mening is toegedaan.
Mogelijk wilt u uw 'kweekervaringen' eens aan het papier toevertrouwen en het ons
laten weten.
Huisvesting:
Er is al heel wat geëxperimenteerd met vogelverblijven. Het streven dient echter
altijd te zijn zo ruim mogelijke kooien. Omdat kapoetsensijzen, ondanks hun geringe
grootte, toch graag een behoorlijke ruimte tot hun beschikking hebben is een lengte
van de kooi van ca. een meter het minimale. Vanwege hun gevoeligheid moet het
verblijf gemakkelijk schoon te maken zijn. De kapoetsensijs mannetjes zijn
over het algemeen erg jaloers, dus beslist geen open tussenwanden! De zandlade moet
gemakkelijk te verwijderen zijn ofwel eruit genomen kunnen worden. Wilt u kapoetsensijzen
gezond houden dan is schoon houden een dringende noodzaak. Eens per week de bodembedekking
verversen (nieuw zand) en regelmatig de lade ontsmetten met een halamid oplossing.
Om ongedierte, groot of klein, te voorkomen is werkelijk een noodzaak in elk vogelverblijf
en zeker bij deze vogeltjes. Kapoetsensijsjes hebben graag dunne zitstokjes. Een diameter
van 1 cm is het beste. Twijgen kunnen een goed alternatief zijn voor de zgn. handelszitstokjes.
Bevestig ook altijd enkele korte zitstokjes aan het voorfront en wel ca. 10 cm van
de bovenzijde van de kooi. Sijzen en zeker de kapoetsensijs zoeken graag een slaapplaats
zo hoog mogelijk en als die er niet is gaan ze bovenin aan de tralies of gaas hangen om
te slapen. Zo hoog mogelijk aangebrachte zitstokjes dragen er zeker toe bij dat ze zich
volledig thuis voelen in hun kooi. De ronde geschaafde zitstokjes zijn in mindere mate
aantrekkelijk voor het ongedierte, in tegenstelling tot de natuurlijke takjes waarbij het
ongedierte zich kan nestelen tussen de bast. Deze laatste dient u derhalve dus regelmatig
te vervangen door nieuwe twijgen. Jonge vogels, maar ook ouden moeten, willen ze zich
behoorlijk kunnen ontwikkelen, de ruimte hebben om te vliegen.
Zijn de jonge kapoetsen eenmaal zelfstandig dan moeten ze bij de ouders uit de kweekkooi
worden weggevangen en in een grotere vliegruimte worden geplaatst. Hebben ze daarin ook
enkele weken doorgebracht dan kunnen ze naar een ruime binnenvolière worden overgezet.
Na het kweekseizoen komen in deze volière ook de oudervogels. Dan worden ook de jonge
mannen van de popjes gescheiden. Mannen en poppen worden dus in aparte vluchten ondergebracht.
Doet u dit niet dan komen vechtpartijen veelvuldig voor. Anders kan het voorkomen dat bij
controle 's morgens de vogels er goed uitzien terwijl bij de avondcontrole van dezelfde dag
er verschillende vogels grotendeels kaalgeplukt zijn. Het kan in bepaalde gevallen ook te
wijten zijn aan te kleine behuizing. Te veel vogels in hetzelfde verblijf en onvoldoende
afleiding kunnen ook als oorzaken worden aangezien.
Voeding:
Een goede voeding is de basis voor het succesvol houden en kweken van kapoetsensijzen.
Helaas gaan nog steeds te veel vogelkwekers er van uit dat wat vogels graag eten ook goed
voor ze zal zijn. Men vergeet hierbij dat vogels ook eenkennig kunnen worden wat hun voedsel
betreft. Met enige moeite en veel aandacht kan men de vogels ook bepaald voedsel leren eten.
Wijze van voedselverstrekking: kapoetsensijzen zoeken hun voedsel niet op de grond.
Ze prefereren hun voedsel uit bakjes die op een bepaalde hoogte zijn geplaatst te halen.
Het verdient ook wel eens de aandacht om uniforme voederbakjes en drinkwaterfonteintjes
te gebruiken. Dit is zeker van belang bij het verplaatsen van vogels. Ze herkennen dan aan
de kleur en de vorm van de bakjes de voederplaatsen. Baden doen kapoetsensijzen erg graag
zodat badwater veelvuldig verstrekt moet worden. De meeste sijzen prefereren fijne oliehoudende
zaden en zeker ook de kapoetsensijs. Bij mijn pogingen om zoveel mogelijk informatie over de
kapoetsensijzen te verzamelen heb ik twee publicaties gevonden die vermelden dat de kapoetsensijs
géén koolhydraten in voor hun verteerbaar voedsel kunnen omzetten. In hoeverre dat op waarheid
berust kan ik niet beoordelen. Typisch vind ik het echter wel dat bij sommige kwekers deze vogels
graag en veel trosgierst eten, een typische zetmeelhoudende zaadsoort.
Groenvoer kregen de kapoetsen bij de meeste kwekers niet of nauwelijks. Opfokvoer gemengd met
gekiemde zaden wordt in geringe mate gegeten.
Kalk en vogelgrit mogen uiteraard ook nimmer ontbreken. De kiemzaden bestonden hoofdzakelijk
uit negerzaad en raapzaad. Sommige kwekers verstrekten in het najaar en in de wintermaanden
elzentakken waaraan zich de bekende elzenproppen bevinden. Deze werden door de kapoetsensijzen
gretig bezocht. Het zal echter wel zo zijn dat hoe ruimer en gevarieerder het aanbod hoe beter
de vogels zich zullen voelen en gedragen. Ook hier geldt zeer zeker: overdaad schaadt.
Kweken.
Aan de kweekruimtes worden geen bijzondere eisen gesteld maar een ruimte met een lengte, om te
vliegen, van ca. een meter is toch wel het minimum. Een temperatuur van tenminste 20ºC., een
luchtvochtigheidspercentage van ca. 60% en een daglengte van tenminste 15 uren, d.m.v. verlichting
zijn echter wel enige belangrijke voorwaarden.
Zorg ook voor voldoende ventilatie in de kweekruimte. Als u verwarmd is dit beslist noodzakelijk
en bovendien heeft ventileren een gunstig effect op de luchtvochtigheid. Pas echter wel op voor tocht!
De meeste kwekers kweken deze sijzen per paar, d.w.z. een pop bij een man. Soms wordt er ook wel
gekweekt met twee poppen en een man en ook wisselbroed wordt door een enkele kweker toegepast.
Toch blijkt dat het koppelsgewijs kweken verreweg de voorkeur verdient.
Uitermate belangrijk is het selecteren van de kweekparen. Op de eerste plaats worden de oudere vogels,
welke met succes jongen hebben grootgebracht, geselecteerd en ook de grootste en mooiste en oudste
jongen worden geselecteerd. Bij de meeste kwekers gebeurt dit medio september. Zorg altijd, indien
mogelijk, dat u een extra popje achter de hand hebt als u met de kweek begint. Omstreeks december
worden de jonge en oude mannetjes erg actief en we zien en horen dat aan het veelvuldig zingen.
Dan wordt ook de kweekconditie verder opgevoerd door de kunstmatige daglengte te verlengen. Dan wordt
aan de gescheiden gehouden mannetjes en popjes een weinig nestmateriaal verstrekt. Als de vogels in
topconditie zijn zullen ze regelmatig met een plukje nestmateriaal in de bek rondvliegen.
Dan is ook de tijd aangebroken om ze in de broedkooien te plaatsen. Als nestkastjes kunt u traliekorfjes,
kanarienestkastjes, aardewerk kanarienestjes en ook bloempotten met een diameter van 10-12 cm zijn goed
te gebruiken.
U kunt de broedkooi ook wat 'aankleden' met sparren-, dennen- of coniferentakjes. Die worden dan aan de
voorkant tegen het voorfront bevestigd, aan de binnenzijde uiteraard. Als nestmateriaal gebruikt u
paardenhaar, sisal, mos, sharpie en cocosvezels. Als de kweekperiode wordt toegepast zoals boven
omschreven begint de kweek zo omstreeks januari en duurt dan tot juni. In deze periode kunnen de
vogels in twee ronden voor jongen zorgen. Dit is aan te bevelen wilt u nog langer plezier van uw
kweekkoppels hebben.
Ook verdient het aandacht om het popje enige dagen voor het mannetje in de broedkooi te plaatsen.
Deze kan dan alvast de ruimte en ook het nestkastje inspecteren en aan de nieuwe omgeving wennen.
De mannetjes kunnen bijzonder fel zijn wanneer deze als eerste in de broedkooi worden geplaatst.
De eerste dagen de vogels veelvuldig observeren is beslist aan te raden. U kunt dan tevens constateren
of de vogels elkaar accepteren of dat er constant vechtpartijtjes plaatsvinden. Zoals bij de meeste
vinkachtigen, waartoe ook de kapoetsensijs wordt gerekend, bouwt het popje het nest. Tijdens deze
nestbouw wordt zij haast niet geholpen door de man. Hij heeft overigens ook de vreemde gewoonte om
soms het nest weer af te breken. Als de vogels overdag het nest afgebroken hebben kan men het beste
het nestmateriaal er weer in doen. Op een gegeven moment wordt er dan echt een nestje gebouwd; het
lijkt soms net een spelletje, dat nestje bouwen. Zodra het nest echter zo goed als gereed is doet
het mannetje er niets meer aan. De nestbouw kan soms wel 2 tot 3 weken duren, soms is het nest in 2
tot 3 dagen klaar. Het legsel bestaat uit 3 tot 5 eieren die geelachtig tot wit van kleur zijn met
bruine stipjes.
De pop broedt ze uit op een manier die elke vogelliefhebber zijn hart sneller doet kloppen. Ze zit
erg rustig en vastberaden, maar houdt elke beweging in haar omgeving nauwlettend in de gaten.
Na 5 dagen is al duidelijk te zien of de eieren bevrucht zijn. Wees echter wel zeer voorzichtig met
nestcontrole. Het nest is vaak erg ondiep waardoor de eitjes zo op de kooibodem belanden! De beste
methode om te controleren is als het popje even van het nest af is, bijv. wanneer u ze opfokvoer hebt
gegeven. de bevruchte eieren zijn donkerder van kleur geworden en hebben een mooie glans. Na 12 dagen
broeden, gerekend vanaf het 3e of 4e ei, komen de jongen uit. Sommige kwekers ruilen de eieren voor
kunsteitjes en geven ze terug op de avond voordat de pop haar 4e ei gaat leggen.
De eerste dagen komt het popje nauwelijks van het nest. Het mannetje voert haar en het popje op haar
beurt stopt het voedsel weer in die kleine snaveltjes. Alles gebeurt met een zekere regelmaat en de
meeste sijsjes zijn helemaal niet bang om hun verzorger dit alles van dichtbij te laten zien en meebeleven.
Een waarschuwing (!) jaag het popje nooit van het nest! Wees niet te nieuwsgierig. Gezonde jongen zijn
altijd hongerig en hebben bijna nooit een volle krop.
Zo trouw als het popje de eerste 5 à 6 dagen op het nest gezeten heeft, zo ontrouw wordt ze na die
tijd. Zelfs 's nachts gaat ze er dan niet meer op. Zou de temperatuur dan te laag zijn of worden dan
krijgen de jongen het moeilijk.
Als alles volgens plan verloopt dan vliegen de jongen omstreeks de 17e dag uit. Aanvankelijk doen ze
dit wat stuntelig en onwennig, maar na enkele dagen vliegen ze al tamelijk rap van de ene zitstok
naar de andere.
Het ringen dient te geschieden op de 6e of 7e dag met ringmaat 2,3 mm. als de jongen ongeveer 6 weken
oud zijn worden ze apart gezet. Ze eten dan ook volledig zelfstandig, zij het dat u ze wel aandachtig
moet observeren, vooral de eerste week. Ook zo gevarieerd mogelijk voeren is belangrijk.
Als de jongen ca. 2 maanden oud zijn begint de jeugdrui. Mannetjes en popjes zijn, zelfs aan het begin
van de jeugdrui, al tamelijk vlug van elkaar te onderscheiden. De jonge mannen krijgen al vlug enkele
zwarte veertjes op de kop. Bij een goede gevarieerde voeding en algehele verzorging levert deze rui
meestal geen problemen op. Voor het verkrijgen van de mooie rode kleur is het niet beslist noodzakelijk
om ze hiervoor speciaal voedsel te verstrekken.
Omstreeks juli vallen de oudervogels in de rui en is het met het kweken ook gedaan. Het komt nogal eens
voor dat de oudervogels al in de rui vallen als ze met hun laatste broedsel bezig zijn. De vrees dat deze
jongen dan niet meer groot worden is bij de meeste kwekers ongegrond. Deze vertelden dat ze deze jongen
nog wel konden redden.
De volwassen rui geeft geen problemen, mits de vogels in deze periode niet verplaatst worden of van
eigenaar veranderen. Transport en verandering van omgeving doen vogels die in de rui zijn over het
algemeen geen goed. Bij de kapoetsensijs is dit zeer zeker het geval.
Tot zover enkele algemene zaken over de kweek van de kapoetsensijs. Ook voor deze vogels geldt: elk
jaar weer leren we nog bij en elk jaar geeft weer betere of minder resultaten. Dit is het echter wat
onze mooie sport interessant maakt en dat geldt zeer zeker voor de zeldzaam mooie kapoetsensijs.
|
|