|
|
|
LAATSTE UPDATE: 03-01-2005
Roodvleugelparkieten

De Roodvleugelparkiet is in de loop der jaren een wat meer voorkomende vogel in
avicultuur geworden. Toch kan nog steeds gesteld worden dat het geen algemeen
voorkomende soort is. In het algemeen wordt er mondjesmaat gekweekt met deze soort zodat
uitbreiding van de gehouden aantallen vogels slechts langzaam groeit. Deze beperking vindt
men ook weer terug in de prijs. Wanneer wij de vogel wat beter bekijken, zien wij een
schitterende strakke kleurencombinatie van diverse kleuren, waarbij het rood en het
geelgroen schitterend contrasteren. Bovendien horen deze vogels niet bij de echte
herriemakers en kunnen zij gehouden worden door de meeste liefhebbers.
Beschrijving
Voor alle duidelijkheid volgt hier eerst een summiere beschrijving van de vogel. Voor een
totaalbeeld en een goede indruk dragen de afgebeelde vogels zorg. (zie elders deze site.
Downloaden doet u bij: Downloaden/afbeeldingen) De man is herkenbaar aan zijn glanzende,
bijna lichtgevende lichtgroene kop en nek. Daarbij onderscheidt hij zich van de pop doorzijn
zwarte rug, het zwart ontbreekt in zijn geheel. De pop kan wel rood op de vleugels vertonen
doch dit is zeer summier. De jongen lijken op de pop en zijn herkenbaar aan de zwarte ogen.
Het geslachtsonderscheid bij de jonge vogels is zeer moeilijk. Vaak kan men het
onderscheidt pas maken wanneer de vogels naar de twee jaar lopen. Bij de mannetjes
verschijnen dan de eerste zwarte veertjes. De Roodvleugelparkiet behoort met zijn 32
centimeter tot de grotere soorten van de Australische parkieten. Hierdoor verdient het
aanbeveling, mede gezien het feit dat de vogel op zijn mooist is in de vlucht, om een wat
langere volière ter beschikking te stellen. Een wat mindere bijkomstigheid, waar zeer zeker
aandacht aan besteed moet worden, is de vorstgevoeligheid. Met regelmaat ziet men waarvan
nageltjes of zelfs stukjes teen zijn verdwenen. Het is daarom raadzaam de
Roodvleugelparkieten 's nachts te laten verblijven in een nachthok. Er is geen mooiere vogel
dan een complete vogel.
Ondersoorten
De literatuur spreekt over drie ondersoorten. Hoewel een van de ondersoorten door
verschillende kenners niet als een aparte ondersoort wordt gezien. Voor een totaalbeeld zullen
wij de drie ondersoorten noemen en daarbij het verspreidingsgebied aangeven. Aprosmictud
e. erythropterus, dit is qua afmeting de meest forse vogel en hij heeft ook het grootste
verspreidingsgebied. Deze Roodvleugelparkiet komt voor in het oosten van Australië. Vanuit
zuidelijke richting omvat dit gebied het noordelijke deel van New-South Wales, in
noordelijke richting overgaand in bijna geheel Queensland tot aan Cape York.
De tweede ondersoort Aprosmictus e.coccineopterus, wordt ook wel de kleine
Roodvleugelparkiet genoemd. Hij is ten opzichte van de Aprosmictus e.erypthropetrus zeker
drie tot vier centimeter kleiner. Bovendien is hij wat minder uitbundig, dus fletser van kleur.
Deze ondersoort komt voor in het noorden van Australië van Cape Hork tot aan de omgeving
van Kimberley.
De derde ondersoort Aprosmictus e.papua, dit betreft de in twijfel getrokken ondersoort, lijkt
sprekend op de Aprosmictus e.erypthropterus. Deze ondersoort heeft zijn verspreidingsgebied
aan de zuidkant van Nieuw-Guinea.
Woonomgeving
De Roodvleugelparkieten hebben een voorkeur voor open boomgebieden met
eucalyptusbomen. Verder treft men hen aan in boomgroepen langs waterlopen en halfdroge
gebieden met acaciastruiken en in zanderige streken. Aan de noordelijke kust worden zij
zelfs aangetroffen in de mangrovebossen. Tegenwoordig wordt deze soort, mede door de
cultivering van de grote grondstukken in deze gebieden, aan de rand van regenwouden,
landbouwgebieden en aan de buitenkant en van boomaanplanten. Worden deze vogels
waargenomen, kan men er van uit gaan dat er in de directe omgeving water aanwezig is. Op
gemerkt moet ook worden dat het echte boombewoners zijn.
VOORKOMEN IN DE NATUUR
De Roodvleugelparkieten worden gerekend tot de standvogels. Dat wil zeggen dat zij het
hele jaar in hetzelfde gebied verblijven en binnen dit gebied eventueel rondtrekken. Toch
worden zij onregelmatig waargenomen in de woongebieden. Er zijn zelfs berichten dat op
plaatsen, waar men hen jaar in, jaar uitkon bewonderen, zij soms wel 3 a 4 jaar niet meer
aanwezig waren. Ook de aantallen vogels wisselen. Het ene jaar verschijnen zij in grote
groepen en het jaar daarop ziet men sporadisch een enkel paartje. De oorzaak zou volgens
kenners liggen in de mate van droogheid in de noordelijke gebieden. In het algemeen leven
Roodvleugelparkieten paarsgewijs of in familieband in de broedtijd. Daarbuiten vormen zij
groepen van ongeveer twintig vogels. Op de voedselrijke plaatsen voegen deze groepen zich samen
en kunnen er grotere groepen ontstaan. In Nieuw-Guinea zijn zelfs zwermen van honderd of
meer vogels waargenomen. Roodvleugelparkieten zijn zeer schuwe vogels. Bij de minste of
geringste verstoring of onraad gaan zij luid krijsend op de vleugels en verdwijnen in de
bomen. Vaak worden zij aangetroffen in gezelschap van de Barnardparkiet (B.barnard) en
bleekkop rosella's (P.adsicitus). Zoals al eerder opgemerkt leven zij voornamelijk in de
bomen. Zij komen slechts sporadisch op de grond. Overwegend om te drinken. Zelden
verblijven zij op de bodem om gevallen vruchten en zaden te eten. Hun voeding bestaat
overwegend uit vruchten, onder andere bessen, zaden, noten, nectar, bloesems, en insecten en
de larven daarvan. Hun echte voorkeur gaat uit naar de zaden van de eucalytus en de acacia.
Wanneer het aanbod minder is nemen zij ook genoegen met de aangelegde boomgaarden
zoals sinaasappels, pruimen, perziken, enzovoorts. De broedperiode varieert. Overwegend
valt deze in de periode augustus tot februari. Aan de noordkust van Australië zijn broedende
paren al waargenomen in mei. Op Cape York ligt de broedperiode nog vroeger en wel in
April. Als broedgelegenheid wordt overwegend gebruik gemaakt van holtes in takken of
stammen van bij voorkeur eucalytus bomen en natuurlijk altijd in de buurt van water. De
Roodvleugelparkieten houden van diepe broedholtes. Er zijn broedholtes ontdekt van 10
meter diep. Vaak bevindt zich het legsel op dezelfde hoogte als het maaiveld in de omgeving.
Het legsel bestaat uit drie tot zes eieren. Zij worden alleen door de pop bebroed en de pop
verlaat het nest in de regel alleen 's morgens en aan het eind van de middag om zich te
ontlasten en om zich door de man te laten voeren. De broedtijd duurt ongeveer 21 dagen,
afhankelijk van de temperaturen gedurende deze periode. Na ongeveer vijf weken na het
uitkomen komen de jongen uit de broedholte.
De Roodvleugelparkieten in avicultuur
De eerste Roodvleugelparkieten kwamen naar Europa in 1861. Zij waren te bewonderen in de
dierentuin van Londen. Ook in Berlijn wist men beslag te leggen op deze soort. Hierna werd
het stil en kwamen er zelden vogels deze kant uit. In de jaren zestig, de wonden van de
tweede wereldoorlog waren grotendeels geheeld en de wederopbouw was in een vergevorderd
stadium kwamen er met regelmaat Roodvleugelparkieten naar Europa. De uit de natuur
gehaalde exemplaren waren en bleven schuw en schrikachtig en met regelmaat, als gevolg
van stress, kwam verenplukken voor. De vogels die in de loop der jaren gekweekt werden,
vertonen dit gedrag niet meer. De vogels, die in onze volières rondvliegen, zijn
rustige, aangename vogels. Zij hebben zich prima aangepast en de liefhebbers kunnen er met
veel plezier van genieten. Het eerste jaar kunnen de jonge vogels samen ondergebracht
worden in een volière, eventueel met jongen van andere soorten. Hier vindt in dat eerste jaar
ook de partnerkeuze plaats. Wanneer aan het einde van dat jaar de keuze zichtbaar is, is het
raadzaam de gevormde koppels in aparte volières onder te brengen. Bovendien is het aan te
bevelen om de Roodvleugelparkieten geen koningsparkieten of rosella's als buren te geven.
Deze soorten kunnen niet met elkaar overweg en de ruzies over en weer worden zelfs door het
gaas uitgevochten. Van kweken zal dan in de praktijk weinig tot niets terecht komen.
Huisvesting
Zoals al eerder opgemerkt komen de Roodvleugelparkieten het best tot hun recht in een
wat langere volière. Wanneer de vogels op de vleugels gaan, zijn het plaatjes om te zien.
Naast een ruime volière moeten zij kunnen beschikken over een vorstvrij nachthok. Zij
hebben zeer gevoelige poten en afgevroren nageltjes en teentjes komen niet meer terug.
De kweek
De eerste meldingen stammen al uit 1878. Er werden kweekresultaten gemeld zowel in
Duitsland als in Nederland. In de daarop volgende jaren boekten meerdere kwekers in geheel
Europa succes. De Roodvleugelparkieten zijn met twee jaar geslachtsrijp. Het komt echter
ook voor dat eenjarige vogels aan het broeden gaan. Voor de liefhebber is dit vaak moeilijk te
sturen omdat het geslachtsonderscheid op deze leeftijd moeilijk te bepalen is. Om enige
zekerheid te krijgen over het geslacht van de vogels worden enige veertjes uit de rug
getrokken . Wanneer deze terugkeren als zwarte veertjes betreft het een man. Dit geeft geen
100% zekerheid want er komen niet altijd zwarte veertjes terug bij de man. Om tot
broedresultaten te komen zal men aan een aantal voorwaarden moeten voldoen. Zowel de pop
als de man moeten natuurlijk broedrijp zijn waarbij de meest temperamentvolle man de
meeste kans op succes zal geven. Als broedgelegenheid moet een diep broedblok ter
beschikking worden gesteld. Een natuurstam met een diepte van 1,5 tot 2 meter is het meest
ideaal. De doorsnede inwendig moet ongeveer 30 centimeter zijn en het vlieggat 10
centimeter. Inwendig zullen trapjes van gaas of takken aangebracht moeten worden om het
betreden of verlaten van de broedholte te vereenvoudigen. Normaal gesproken broeden de
Roodvleugelparkieten eenmaal per jaar, twee legsels vormen echter geen uitzondering meer.
Het legsel is variabel en bestaat uit drie tot zes eieren. Deze worden gelegd met een
tussenruimte van twee dagen en worden gedurende 18 tot 20 dagen bebroed. Hierna komen de
jongen uit. Na het uitkomen blijven de jongen nog vier tot vijf weken in het broedblok
voordat zij uitvliegen. Gaan de ouders over tot een tweede legsel dan moeten de jongen apart
ondergebracht worden en van hun ouders gescheiden. Is dit niet het geval dan kunnen zij nog
geruime tijd bij hun ouders verblijven.
Mutaties
Zoals nu bekend, zijn er geelbonte en gele Roodvleugelparkieten gekweekt.
|
|